Van stad naar dorp en rechtsomkeert

05-09-2013 12:00

Van stad naar dorp en rechtsomkeert

Vroeger droomde ik ervan om later in een dorpje te gaan wonen. Waarom weet ik niet. Ik zal vast een dorpje met klein, mooi en knus hebben geassocieerd. Ik ben nogal romantisch aangelegd, ziet U. Zelf ben ik geboren en getogen in een stad. Mijn droom van wonen in een dorpje bleef altijd bij me. Jaren later ontmoette ik het meisje van mijn dromen. En, laat zij nou net in een dorpje wonen. "Twee vliegen in klap." De liefde was echt en serieus en al snel besloten we samen te gaan wonen. Waar? Dat was natuurlijk vrij snel duidelijk; In het mooie kleine dorpje waar haar wieg had gestaan. In het land van Maas en Waal. Waarschijnlijk had ik mijn droom te geromantiseerd: het dorpje was klein, maar wel héél erg klein. Als je je armen spreiden had je het hele dorp gehad, grapte ik wel eens. De buurtvereniging bestond uit het hele dorp en het hele dorp was lid van de buurtvereniging. Een rondje fietsen was ook letterlijk een rondje fietsen om de kerk en die paar huizen die er stonden. Iedereen kende elkaar en de sociale controle was dan ook groot. Naast ons woonde de zus van mijn vrouw. Tegenover ons woonde de broer van mijn vrouw en op de hoek woonde een tante van mijn vrouw. De andere familieleden waren verspreid over het dorp. Want eens een Maas en Waaler, altijd een Maas en Waaler leek het wel. Je zat echt op een eiland tussen de twee rivieren in. Er waren dorpelingen die daar waren geboren en getogen, daar woonde, werkte, daar hun kennissen hadden, vakantie vierde in het eigen dorp en nooit verder kwamen dan het dorp of hooguit in het dorpje ernaast. En als je niet met over de brug durfde of over het veerpontje dan was je dus echt helemaal gebombardeerd tot het eilandje. En echt, die mensen zijn er. Ik ken ze persoonlijk. Iedereen wist ook alles van elkaar. Toen ik daar net woonde en ik op straat liep werd ik door diverse mensen aangesproken. Ik kende niemand maar iedereen kende mij. Ik voelde me soms net Willempie. Ze wisten bij wie ik hoorde. Ze maakte dan een praatje met mij en ik praatte gezellig terug. Ik wist niet wie het was dus ik onthield altijd maar een kenmerk zodat ik 's avonds aan mijn vrouw kon vertellen dat ik iemand had gesproken die er zo en zo uitzag. "O",  zei mijn vrouw dan, "dat is de kleindochter van de vrouw wiens moeder jaren lang de sigarenwinkel heeft gehad." En een andere keer was het weer de broer van de oom van de slager....etc. etc. Wie is nou wie en wie hoort waar. Ik werd er soms hoorndol van. Op een ochtend was ik op de badkamer, ik was alleen thuis. Tenminste, dat dacht ik. Opeens ging de deur van de badkamer open. Stond ineens m´n schoonzus daar. Ik schrok meer van haar dan zij van mij, terwijl ik daar in m´n bijna niksie me stond te scheren. Of ze een bekertje waspoeder mocht lenen. Natuurlijk mocht dat en ik gaf haar wat waspoeder. "Hoe kom je binnen" vroeg ik. "Ik heb de sleutel" zie ze zonder blikken of blozen, alsof het de normaalste gang van zaken was. ´s Avonds vertelde ik het tegen m´n vrouw. "Ja dat gaat zo hier." "Hè. echt waar? En wat als we....." Ik moest er toch net aan denken dat dan ineens m´n schoonzus binnen komt....wippen. Laat me dat toch bespaard blijven alstublieft. De andere dag vroeg m´n vrouw of ik een paar boodschappen wilde halen in de supermarkt. Natuurlijk deed ik dat. Met m´n boodschappentas liep ik naar de hoek van de straat waar de supermarkt was. De supermarkt was geen supermarkt zoals ik die gewend was maar een klein dorpswinkeltje. Ik deed de boodschappen. Bij thuiskomst zag mijn vrouw dat de uien die ik gekocht had rot waren. Dus keerde ik terug naar de winkel. "Moet ik weer dat hele eind lopen", grapte ik tegen m´n vrouw. In de winkel sprak ik iemand aan, zo´n vakkenvulster. "Deze uien heb ik hier zonet gekocht maar ze zijn allemaal rot" zei ik tegen haar. Ze pakte het netje uien aan en keek me aan alsof ze water zag branden. "Heb ik iets verkeerds gezegd" vroeg ik mezelf af. "Deze uien zijn niet van ons, die heeft U hier niet gekocht" zei ze op een bozige toon.

Ik begon aan mezelf te twijfelen. Ik was er nog geen vijf minuten geleden geweest en het was de enige winkel in het dorpje. "Hier heb ik het bonnetje." Zei ik tegen haar. "U kunt hier wel boodschappen hebben gedaan maar deze uien zijn niet van ons. U heeft die in een andere winkel gekocht en wil nu via dit bonnetje Uw geld terug." "Hè? Voor een netje uien van negenentachtig cent ga ik de boel toch niet besodemieteren" dacht ik. "Pardon!", zei ik geïrriteerd. "Ik laat me hier niet beschuldigen. Ik wil de baas spreken."

"Wat is er aan de hand?"  vroeg de vriendelijke winkelchef. "Ik ken deze meneer niet en hij wil geld terug van uien die hij hier niet gekocht heeft", kakelde de vakkenvulster op een vlugge toon tegen de chef. "Nou, ik heb hier net boodschappen gedaan en...."  Ik legde het hele verhaal uit. "Ik denk dat dit een misverstand is" zei de winkelchef.  Was het een misverstand? Ik had die uien daar gehaald, ze waren rot en ik wilde ze daarom ruilen en ik had het bonnetje. Dus wat nou misverstand?! "Ja ziet U", legde meneer de chef me uit, "wij kennen U niet en doorgaans kennen wij onze klanten. Als dan iemand van "buitenaf" iets komt ruilen en z’n geld terug wil dan…" "Dan wat?"  O, ik had hier helemaal geen zin in. Pure tijdsverspilling. Om een netje uien van negenentachtig cent. "Laat maar" dacht ik. Maar het was ook een principe kwestie en ik verdedigde me fel. De tranen stonden in m’n ogen zonder een ui gesneden te hebben. "Meneer, nu moet U goed luisteren, ik heb hier die uien gekocht, hier heeft U het bonnetje, zwart op wit!" En ik zal wel vaker hier mijn boodschappen komen doen, zei ik woest. Verbaast keek meneer de chef me aan. "U komt in de toekomst vaker hier boodschappen doen, want?" Moest ik me nou verantwoorde waarom ik daar m’n boodschappen ging halen? "Ik woon hier samen met…" De winkelchef onder brak me en zij heel enthousiast alsof er niets aan de hand was: "O, jij woont samen met de dochter van de melkboer die hier vroeger de melk en de zuivel kwam leveren. Ben jij dat? Ik had al zoiets gehoord van mijn vrouw die het weer hoorde op de kaartclub. Sorry voor het ongemak. Onze excuses. Loopt U even mee onze winkel in." Enthousiast liet hij mij z’n winkeltje zien. "Ik heb ze wel eens groter gezien" grapte ik tussen m’n woedebui door. "We vinden het fijn om U als nieuwe klant te mogen ontvangen in de toekomst." Ik wist werkelijk niet wat me overkwam. Als een blad aan de boom draaide de situatie om; Het ene moment werd ik nog beschuldigd van het vals willen ruilen van een netje uien en nu waren ze blij met mij als nieuwe klant omdat ze wisten wie ik was. Later heb ik daar in de dorpswinkel nog wel eens gebruik van gemaakt. Zo van: "Hé weet je wel wie ik ben, weet je wel tegen wie je het hebt?" De chef stelde mij nog voor aan de desbetreffende vakkenvulster. "Het was een misverstand" zei ie tegen haar. “Hè, misverstand? laat ook maar" dacht ik. De chef gaf mij een nieuw netje uien "en hier, vanavond lekker hutspot eten." zei ie terwijl ie me een zakje rouwe hutspotgroente en een rookworst in m’n handen duwde. “Tot ziens meneer.”

’s Avonds hebben mijn vrouw en ik heerlijk gegeten van de hutspot met worst. Ik vertelde haar het hele verhaal. "Poeh poeh, je bleef ook zolang weg. Ik was al bang dat je verdwaald was."

Lang hebben we niet meer gewoond in het dorpje. Het geromantiseer over een klein knus dorpje was over. Ik keerde terug, met m’n vrouw naar m’n eigen vertrouwde stad. Ik heb me wel even opnieuw voorgesteld aan de winkelchef van de plaatselijke supermarkt…..om misverstanden te voorkomen.

 

Walter

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto gebruikt onder Creative Commons van Gruenewiese86  © 2013 Alle rechten voorbehouden.

Maak een gratis websiteWebnode